De Kluizerij

Geschiedenis 1913 tot 1940

Geschiedenis 1913 tot 1940

Voor de liefhebbers van de monastieke geschiedenis van deze plaats hebben we hier een nauwkeurig historisch portret toegevoegd, dat ons werd ter hand gesteld door de heer Ben Vermoesen

De abdij Maria Mediatrix

Dank zij dom Franco de Wyels, de latere abt, ontstond na de Eerste Wereldoorlog de monialenabdij Maria Mediatrix in Dourgne, Zuid-Frankrijk. Gedurende 74 jaar was het klooster gevestigd op de Potaardeberg in Hekelgem, op 2 km van Affligem. Daardoor is ze goed bekend bij vele omwonenden en daarom willen we de geschiedenis van Maria Mediatrix uitvoerig behandelen.
Vooraf enkele woordverklaringen. Het woord monnik, de benaming voor een pater of broeder uit een abdij, is goed gekend. Gaat het om een vrouw uit een abdij, dan noemen we haar moniale hoewel het woord zuster meer wordt gebruikt. Een monnik spreken we aan met dom (don in het Italiaans), de verkorting van dominus; een moniale met domna (donna in het Italiaans),verkorting van domina.

Te Dourgne
In 1913 bezocht de Nederlandse dame Molengraaff- Schim van der Loeff de abdij Affligem met de bedoeling in een klooster te treden. Geboren in 1889 te Gouda in Nederland in een streng protestants gezin was zij naar het katholicisme overgegaan. Zij was getrouwd met Willem Molengraaff, maar beiden voelden zich aangetrokken tot een contemplatief leven. Nederlandse en Belgische abdijen stonden toen weigerachtig tegenover bekeerlingen zodat ze voorlopig nergens werd aanvaard. Haar verlangen om benedictines te worden, bracht dom Franco de Wyels, sinds 18 mei 1912 prior van zijn abdij, ertoe te dromen van de stichting van een benedictinessenabdij in de buurt van Affligem. Maar een jaar later brak de Eerste Wereldoorlog uit en dom Franco werd brancardier en vervolgens legeraalmoezenier aan het front. Hij hield er een oorlogsdagboek bij. We lezen daarin dat hij op 29 juni 1917, met verlof in Lourdes, er de familie Fouques Duparc de Franclieu ontmoette die hem vroeg om hun dochtertje de eerste communie te geven. Een tante van het kind, freule Marie de Franclieu vertrouwde hem toe dat ze wilde intreden in de abdij van Sainte Scholastique te Dourgne. Tijdens zijn volgend verlof reisde dom Franco naar Dourgne.


Dom Franco de Wyels

De abdis en de abt van Encalcat overtuigden hem zich in te zetten voor een nieuwe stichting voor benedictinessen te Affligem. Marie de Franclieu zou daarvoor de eerste roeping kunnen zijn. Meteen bracht dom Franco de Nederlandse dame Molengraaff- Schim van der Loeff op de hoogte van de stichtingsplannen. In februari 1919 trad zij in Ste Scholatisque in als domna Gertrudis om er gevormd te worden voor de Vlaamse stichting. Haar man wou eerst in Affligem intreden, maar koos voor de congregatie van de Missionarissen van de HH. Harten. Al snel volgden nog enkele postulanten. Domna Gertrudis bleek beter geschikt te zijn voor de nieuwe stichting dan de novice uit Lourdes voor wie de Nederlandse taal toch een grote handicap was.

Armmoedig bestaan in De Kluis
Inmiddels hadden de monniken van Affligem ermee ingestemd een zusterabdij op te richten.
Eens de oorlog voorbij begon men uit te kijken naar een geschikte woning in de omgeving van Affligem. De familie Callebaut uit Wieze stelde te Hekelgem aan de Aalsterse Dreef een terrein ter beschikking en in afwachting van een nieuwbouw aanvaardde men, zonder medeweten van de zusters, een kleine villa in Heide-Kalmthout, in de buurt van de Affligemstichting. Op 10 februari 1921 legde domna Gertrudis haar tijdelijke geloften af en vernam dan, tot haar ontzetting, haar aanstelling als overste van de zes zusters die de volgende dag al naar Vlaanderen zouden afreizen. Dom Franco en Charlotte Callebaut, de eerste weldoenster, waren naar Dourgne afgereisd om de groep te begeleiden. Op 13 februari ontving kardinaal Mercier de zusters. Tot zijn verbazing stelde hij vast dat de monialen nog geen naam voor hun klooster hadden en hij stelde dan zelf Maria Mediatrix voor.


Abdis Gertrudis

Hun woning, herdoopt tot De Kluis, was in feite te klein voor de zes zusters. Het was de chauffeurswoning van de bekende Vlaamse musicus Jozef Muls. De eerste maanden kenden ze er grote armoede. Ze leefden van wat de buren en weldoeners brachten: vlees, kaas, versnaperingen. Vier zusters hadden niet eens een stoel. Lange tijd hadden ze niet eens een wekker. De zuster die de anderen voor het nachtofficie moest wekken, durfde niet naar bed te gaan uit vrees zich te verslapen. Het eten koken gebeurde op een klein kacheltje met slechts één pan. Was een gerecht klaar en uitgeschept, dan kon men aan het volgende beginnen. Dom Gregorius De Groote, oud-missionaris en verblijvend in de stichting van Heide, spande zich in om de monialen aan het nodige te helpen. Eigenhandig maakte hij banken, stoelen en een lessenaar. Dagelijks kwam hij naar De Kluis om er de mis te lezen en gaf er ook conferenties. Dat deed hij ook toen de communiteit naar het verder gelegen Keienhof verhuisde. Daarvoor schafte hij zich op 74-jarige leeftijd nog een fiets aan. Een goeie fietser is hij nooit geworden, maar de zusters herstelden heel discreet zijn gescheurd habijt na iedere val. In 1924, twee maanden voor zijn dood, nam dom Remigius Borremans zijn taak over.

Snelle groei
Dat eerste jaar traden meerdere postulanten in. De Kluis werd echt te klein en de zusters keken uit naar een geschikter verblijf. Met geleend geld kochten ze Villa Keienhof, een afgelegen woning op zo’n 20 minuten lopen van Heide waar de monniken verbleven. In juni 1922 verhuisden ze. Een paar dagen later boden er zich weer postulanten aan waardoor het nieuwe klooster al meteen te klein was. Elke kamer moest in drie verdeeld worden. Nu beschikten ze wel over een grote tuin en daar konden ze kippen houden. Op 14 augustus 1924 verhief kardinaal Mercier het klooster tot priorij. Domna Gertrudis Molengraaff- Schim van der Loeff werd de eerste priorin. Nog hetzelfde jaar konden konden de zusters te Hekelgem een stuk grond bijkopen. Vier jaar later volgde een nieuwe verhuis. In 1928 besliste abt Benedictus Van Schepdael om zijn monniken uit Heide terug te roepen en de monialen namen de vrijgekomen plaats in. Voor het eerst waren ze nu in staat een echt monastiek leven te leiden.

Naar Hekelgem
Op 18 mei 1931 begonnen de werken voor het nieuwe klooster op de Potaardeberg in Hekelgem aan de Aalsterse Dreef. Voor de buitenmuren had de architect gekozen voor Boomse steen, de stenen voor de binnenmuren werden ter plaatse vervaardigd. Dom Franco, terug in zijn abdij na zijn werk voor de Hereniging der Kerken, en broeder Tobias zorgden ervoor dat alles voor de monialen werd ingericht zodat de 24 zusters op 19 mei 1932 er hun intrek konden nemen. Na Dourgne, De Kluis, Keienhof en Heide eindelijk hun eigen abdij. De inwoners van Hekelgem verwelkomden enthousiast de monialen. Ze hadden de straten versierd met bloemen, vlaggen en opschriften zoals Welkom aan de Bruiden van Christus of Welkom aan de gewijde Maagden. Salvo’s uit jachtgeweren weerklonken en een kanonschot deed de zusters zelfs opschrikken.


Bouw van de eerste vleugel, 1931 - 1932

Abt Benedictus zegende de eerste vleugel van de abdij in. Na de feestmaaltijd, aangeboden door de familie Callebaut uit Wieze, bracht dom Jozef, begeleid door heel wat mensen uit het omliggende, het H. Sacrament naar de kapel. De volgende dag zegende de abt plechtig de kapel in en droeg er de eerste mis op. Hoewel het gebouw nog niet af was, er ontbraken nog deuren, vensters en vloeren, toch waren de monialen gelukkig over een eigen cel te beschikken, ook al was het enige meubilair een stromatras en een koffer. Met de communiteit was ook een hele veestapel meegekomen: een paard, enkele koeien, varkens en kippen. De buitenzusters hadden meteen de handen vol. De volgende weken was het er erg druk: bedden, kasten, stoelen kwamen toe, allerlei vaklieden waren aan de slag, buren brachten bloemen, broden, hammen, cider, maaiden het hooi enz. Meerdere monniken kwamen regelmatig naar het nieuwe klooster en betekenden een grote steun voor de monialen: dom Franco als geestelijk leider, dom Gregorius Manisse als biechtvader en broeder Tobias Vergauwe, de redder in nood voor alle materiële problemen. Uit dankbaarheid voor die steun stelden de zusters hun slot open voor familie en belangstellenden van 15 juli tot 15 september 1932. Uiteindelijk heerste er rust en stilte in de abdij. Het aantal leden van de communiteit bleef stijgen en in 1939 was het klooster, gebouwd voor 40 zusters, al te klein geworden. Op twee decennia was de gemeenschap uitgegroeid tot een grote abdij. Dat was onder meer te danken aan de vele Nederlandse postulanten, waaronder een aantal bekeerlingen uit het protestantisme. In Nederland was er maar één benedictinessenabdij, nl. Oosterhout en die was al overbevolkt en zo kozen veel postulanten voor Hekelgem. Die exodus was de bisschop van Haarlem opgevallen en hij vroeg priorin Gertrudis om in zijn diocees een nieuwe abdij te stichten. Daar is echter niets van terecht gekomen. Maria Mediatrix recruteerde ook over heel Vlaanderen en zelfs lokaal. Domna Josephine Hendrickx was afkomstig uit Hekelgem, Benedicta Josepha Goeman, Agnes Goeman en Rosa Cornelis waren van Meldert.

  • Geschiedenis 1913 tot 1940

Doe goed, en zie niet om.